
Niet iedereen die zich langs de Dedemsvaart vestigde, bleef er voor altijd wonen. Eén van de meer bekende tijdelijke bewoners is Rudolph Albertus Kerhoven (1820 – 1890) geweest.
Mr. Rudolph Albertus Kerkhoven kwam op 26-jarige leeftijd naar de Dedemsvaart. Zijn vader, een rijke bankier, had voor hem veengronden gekocht. Op dat moment was Rudolph nog advocaat in Deventer en Arnhem, maar hij switchte van carrière.
Niet alleen had hij een veenderij, maar hij begon ook een kwekerij genaamd ‘Muscosa’. Verder was hij secretaris van de lokale afdeling van de Overijsselsche Maatschappij voor Landbouw. En alsof hij nog niet genoeg te doen had, werd hij ook nog gemeenteraadslid van Avereest en lid van de Provinciale Staten. Verder schrijft onderzoeker en schrijver Wim Visscher dat Rudolph samen met Lucas van der Vecht een groothandel in granen begon. Ook bezat Rudolph volgens de schrijver een beurtschip voor personen- en vrachtvervoer.

Het leek erop dat hij zijn plek had gevonden daar langs de Dedemsvaart, maar toch verliet hij rond 1859 de regio. In 1858 had hij al de werkzaamheden van inspecteur lager onderwijs voor de provincie Overijssel op zich genomen, maar die functie kon hem niet lang bekoren. Hij verkocht zijn woonhuis aan de Dedemsvaart in 1858, en de veenderij met kwekerij werden volgens onderzoeker Wim Visscher in 1861 verkocht.
Op 1 september verscheen Gerrit van Laar, 18 jaar oud, geboren te Hasselt en wonende te Avereest voor de rechter. Hij heeft turf gestolen die toebehoorde aan Rudolf Kerkhoven, die toen al in Zwolle woonde.
Willem Kist, oud 37 jaren, arbeider en wonende te Avereest legt een verklaring af: dat hij in den nademiddag van den 21 junij ll; heeft gezien dat de beklaager van eene turfbult staande op het zestiende wijkje, Nr 6 te Avereest, en toebehoorend aan den Heer Mr. R.A. Kerkhoven te Zwolle, arglistig onder den arm eenige turven wegraaien, dat hij getuige als oppasser over die turf aangesteld zijnde, den beklaager over dien diefstal heeft onderhouden en van dezen alstoen hem antwoord heeft ontvangen ‘dat raakt je niet’,
Beklaager erkent op voormelde tijd en plaats vijf tot zes turven te hebben weggenomen om koffij te kunnen koken.
Een paar jaar later vertrok hij naar Nederlands – Indië, nu Indonesië. Daar ging hij werken bij de net opgerichte Nederlands-Indische Gasmaatschappij. In 1868, op 48-jarige leeftijd, verwierf hij een theeplantage met behulp van familieleden van zijn moeders kant, de familie Van der Hucht. Zij bezaten al vele jaren theeplantages op Java en een deel van de familie Bosscha, Holle en Kerkhoven was in navolging van hen ook naar Indonesië vertrokken om als theeplantagehouder aan de slag te gaan.
Hella Haase beschrijft in het boek ‘Heren van de thee’ het levensverhaal van Rudolph jr, de oudste zoon van onze Rudolph Kerkhoven. Dit heeft ze gedaan op basis van een enorm brievenarchief die deze zoon heeft achtergelaten. In haar boek wordt zijn vader neergezet als iemand met vele goede bedoelingen, die zich had gevestigd aan de Dedemsvaart om daar de bevolking te helpen ontwikkelen, vooral de boeren. Dat is volgens een oudoom niet gelukt. Volgens oudoom Van der Hucht was Rudolph sr absoluut geen zakenman en daarom had hij ook niet het bankiersbedrijf van zijn vader geërfd. Dat bedrijf is naar zijn jongere broer gegaan.

Rudolph jr. beschrijft hoe zijn vader leefde in Indonesië op zijn theeplantage Ardjasari. Overdag leefde zijn vader volgens de leefregels die hoorden bij de status van plantagehouder in Nederlands-Indië, maar ‘s avonds sloten hij en zijn vrouw zich op in hun huis met naaiwerk, het lezen van boeken en spelen van muziek. Hun woonkamer was geheel in Europese stijl ingericht.
Uiteindelijk moest Rudolph sr vanwege een oogziekte terugkeren naar Nederland. Hij liet zijn plantage na aan een jongere zoon, terwijl Rudolph jr zich uit de naad werkte op een nabijgelegen plantage. Die voelde zich genegeerd, misschien net zoals Rudolph sr zich voelde toen zijn vader hem het bankiershuis niet naliet.
Terug in Nederland werd Rudolph directeur van de Amsterdamse Kininefabriek. Op de theeplantages was men ook gedeeltelijk overgegaan op het telen van de kinaboom, omdat de thee opbrengsten erg fluctueerden. Vermoedelijk is op die manier het contact ontstaan met de eigenaar van deze fabriek. Kinine was in de 19de en begin 20ste eeuw een belangrijk koortsbestrijdend geneesmiddel.
Uiteindelijk overleed Rudolph Albertus Kerkhoven in 1890 in Nieuw-Amstel, Noord-Holland.
Update: De familie Kerkhoven had ook een plantage in Suriname, waarvoor ze bij de afschaffing van de slavernij zijn gecompenseerd. Ook Rudolph Kerkhoven was door vererving gedeeltelijk eigenaar van plantage Adrichem in Suriname. Daar woonden en werkten in 1863 nog 133 tot slaaf gemaakten. Rudolph ontving een kleine bijdrage, want hij moest de compensatie delen met nog 28 andere erfgenamen.