Bij elk onderzoek begin ik met een aantal veronderstellingen. Soms gebaseerd op wat ik al gelezen heb, soms zelf bedacht om onduidelijke redenen. Eén van die veronderstellingen die ik had, was dat het gebied tussen Nieuwleusen en Gramsbergen één groot verlaten vlakte was. Dat het pas toegankelijk werd met het graven van de Dedemsvaart. Bij die woestenij stelde ik mij een vlak en nat landschap voor, zoals ik dat heb gezien bij de Engbertsdijkvenen vlakbij Sibculo, en in de weerribben in noordwest Overijssel. En natuurlijk woonden hier geen mensen, want wat moest je er zoeken? 

In de afgelopen weken is mijn veronderstelling volledig overhoop gehaald! Ik heb ontdekt dat er in dit gebied al wel mensen woonden en werkten, er waren al wel paden die er doorheen liepen en vlak was het landschap zeker niet. 

De mensen

Als eerste leerde ik dat de bewust gronden behoorden tot marken. Die marken zijn een ietwat onduidelijke organisatievorm, welke in de middeleeuwen door de kerk is ingesteld. Gewaarden, veelal boeren of landheren, kregen samen een stuk gebied in beheer. Onderling maakte men dan afspraken over wie welk deel van de marke mocht gebruiken en de eventuele kosten die betaald moesten worden voor onderhoud en gebruiksrecht. Heel Overijssel was opgedeeld in marken, zo ook het gebied waar de Dedemsvaart doorheen zou worden gegraven. Baron van Dedem ‘zorgde’ ervoor dat al die marken werden opgeheven en overgingen op particulier bezit. Dat was mogelijk, omdat de kerk niet meer de wereldlijke macht had, maar de nieuw gevormde staat Nederland. 

Kleine Staarmann beschrijft in zijn boek ‘Historie van Lutten en Slagharen’ uitgebreid de voorgeschiedenis van het gebied tussen Lutten en Gramsbergen, en dan vooral de geschiedenis van Marke Lutten. Hij vertelt hoe boeren in het gebied akkerbouw bedreven. Stukken land werden drooggemaakt door het graven van sloten, vervolgens werd de grond in het voorjaar in brand gestoken waarna men er boekweit en oliezaden op teelden. Imkers plaatsten bij die velden bijenkorven voor de honing. Zo’n stuk grond kon ongeveer 6 jaar gebruikt worden en dan trok men verder naar een ander deel van het veengebied. 

Op de kaart van N. ten Have uit 1740 is ook te zien dat bij het huidige Balkbrug al een huis of boerderij stond, pal langs een pad dat liep van Ommen naar Meppel. Bij de start van het graven van de Dedemsvaart, woonde daar Kruizinga die er een herberg runde. 

Op de kaart van Ten Have is ook goed te zien dat er al een aantal andere paden bestonden door de woestenij. Kleine Staarmann beschrijft dat er bijvoorbeeld een ‘poepenpad’ was, die liep van Hardenberg naar het noorden door het veengebied. Dit was het pad waarover Duitse trekarbeiders liepen als zij richting Groningen gingen. Poepen was een bijnaam voor deze seizoensarbeiders. Later werd de naam veranderd in Zwarte Dijk. 

Er was ook een soort van dijk, een pad, dat liep aan de zuidkant van het veengebied. Deze werd ook wel de Vriesche dijk genoemd. Eens hed ik gelezen dat dit nog onderdeel uitmaakte van de verdedigingslinie die was aangelegd om invallers het moeilijk te maken Holland te bereiken. Kleine Staarmann geeft aan dat dit pad ook werd gebruikt door de Duitse trekarbeiders die naar Friesland gingen, vandaar de naam Vriesche Dijk. 

Foto: deel van de kaart van Ten Have uit 1740, wie goed kijkt ziet dat er padenzijn, huizen, belten en meren. Bron: Collectie Overijssel

Landschap met heuvels en meren

Natuurlijk had ik de kaart van Ten Have goed bestudeerd en gezien dat er enkele meren opstonden en wat aanduidingen voor ‘belten’, maar die informatie kwam niet écht bij mij binnen. Totdat ik een bezoek bracht aan het Veenkoloniaal Museum in Veendam. Daar zag ik een maquette van het veengebied rondom Oude Pekela. De situatie voor, tijdens en na de ontginning. Wat ik daar zag was een landschap met enorme bergen. En toen begon het bij mij te dagen. Veen was niet iets dat je uit de grond moest halen, maar het lag grotendeels boven de grond. Is het ook daarom dat deze gebieden als hoogveen werden bestempeld? Wim Visscher schreef in zijn boek over de turfwinning in Overijssel ook dat het veen boven op het wateroppervlak lag. Ik had mij alleen niet gerealiseerd dat dit weleens meters hoog kon zijn. 

Nu vermoed ik dat op de kaart uit 1811 opgesteld door Van Dedem de hoogtes worden aangegeven van de turf. Dus niet zozeer hoe diep de turf de grond inging, maar meer hoe hoog de belten waren? Deze veronderstelling moet ik nog verder controleren. 

Verwoesting van eeuwenoud landschap

In ieder geval begint het langzaam bij mij te dagen dat met de aanleg van de Dedemsvaart en de turfwinning daarna, een eeuwenoud landschap verloren is gegaan. De heuvels zijn afgegraven en de natte gebieden zijn droog gemaakt door de aanleg van sloten en kanalen. Oude paden en dijken zijn grotendeels verdwenen omdat ze boven op de turf lagen. Toch heb ik ook aanwijzingen gevonden dat de verveners gebruik maakten van sloten en beken die al door het gebied liepen, evenals dat bestaande informele paden door het gebied werden ‘geformaliseerd’. 

In de verhalen over het gebied rondom de Dedemsvaart is veel aandacht voor de positieve veranderingen die dit kanaal teweeg heeft gebracht, maar er is weinig tot geen aandacht voor wat er verloren is gegaan, waaronder de boekweitteelt en een heuvelachtig landschap met veel water en wilde natuur. 

Info: Een kaart uit 1733 uit het archief van Collectie Overijssel. Hier is goed te zien hoe er al mensen wonen en paden waren.

Landschap of woestenij?

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *