Als historisch onderzoeker naar o.a. het boerenleven in Noordoost-Overijssel, heb ik met aandacht gekeken naar de aflevering van Verborgen Verleden (NPO) waarin de familiegeschiedenis van Erben Wennemars centraal stond. Erben gaf gelijk aan het begin van de aflevering al aan dat zijn hele familie al generaties lang in de omgeving van Dalfsen woonde. 

In diezelfde aflevering vertelt conservator Frederik Knegtel van het Openlucht Museum in Arnhem dat in Dalfsen de eerste ruilverkaveling van Nederland heeft plaatsgevonden. Uh…? Volgens mij is dat niet correct, dacht ik toen. Want in het canon van Nieuwleusen (nu onderdeel van gemeente Dalfsen) staat beschreven dat in deze gemeente de tweede ruilverkaveling van Nederland plaatsvond. Dat Ameland de eer had om als eerste een grootschalige ruiling van landerijen te hebben gerealiseerd. Waar kwam deze uitspraak van Frederik Knegtel nu vandaan? 

Tijd dus om wat dieper in deze materie te duiken!

 

Vrijwillige ruilverkaveling

In 1913 start inderdaad de eerste grote vrijwillige ruilverkaveling in Nederland, in de gemeente Dalfsen en wel in de Dalfser Hooijslagen. Deze werd in gang gezet door grootgrondbezitter Van Haersholte en mislukte faliekant in 1914, toen het merendeel van de eigenaren tegen het voorstel stemde.

Kort daarna in 1913 start onder leiding van Heijdemij de vrijwillige ruilverkaveling van Ballumer Miede op Ameland. Deze werd als eerste in Nederland ook daadwerkelijk afgerond, namelijk in de winter van 1915/1916.

In maart 1918 vindt dan alsnog de ruilverkaveling plaats in de Dalfser Hooijslagen. In 1915 is namelijk Vervoert, een andere grootgrondeigenaar, begonnen om iedereen mee te krijgen en eventuele tegenstanders uit te kopen. Met succes, want in 1918 werd de ruilverkaveling goedgekeurd en uitgevoerd.

Conclusie: in Dalfsen werd gestart met de eerste vrijwillige ruilverkaveling, maar die in Ameland werd als eerste afgerond.

Invoering ruilverkavelingswet

Dit alles vond plaats voordat de eerste ruilverkavelingswet werd in gevoerd. Pas na de succesvolle ervaringen op Ameland en in Dalfsen werd de eerste ruilverkaverlingswet opgesteld en uiteindelijk goedgekeurd in 1924. Met de komst van die wet, was er geen 100% instemming meer nodig van de eigenaren voor het uitvoeren van een ruilverkaveling.

Gelijk met de aanname van de wet, lag er bij de Centrale Commissie al een verzoek uit Ameland voor de ruilverkaveling van de Hollumer Mieden. Kort daarna kwam er een verzoek tot ruilverkaveling uit de gemeente Nieuwleusen. Deze werd als tweede door de Centrale Commissie behandeld en goedgekeurd.

Tot op heden heb ik niet kunnen uitvinden of deze tweede ruilverkaveling op Ameland eerder werd afgerond dan die van Nieuwleusen of niet. Tijdens het bezoek van Minister Kan aan Nieuwleusen in mei 1928, geeft hij aan dat hij Ameland nog niet had kunnen feliciteren. Hieruit leid ik af dat de ruilverkaveling in Ameland eerder was afgerond dan die in Nieuwleusen. En dat de ruilverkaveling van Nieuwleusen, welke was ingezet en uitgevoerd door lokale boeren, inderdaad de tweede van Nederland is geweest na de invoering van de Ruilverkavelingswet.

De uitspraak van conservator Frederik Knegtel van het Openlucht Museum in Verborgen Verleden ligt dus ietwat genuanceerder. Er is als eerste gestart in Dalfsen met een vrijwillige ruilverkaveling, voordat de ruilverkavelingswet werd aangenomen, maar het was Ameland die als eerste een grootschalige ruilverkaveling afrondde. 

Waarom moesten er gronden geruild worden?

Aan het einde van de 19e eeuw was er behoefte aan een efficiëntere landbouwproductie. Met een groeiende bevolking, dat steeds vaker in steden woonde, moest er meer eten geproduceerd worden.  Veel landbouwgronden in Nederland waren in die tijd door vererving versnipperd en diverse ontgonnen gronden in het noordoosten van Nederlanden bleven brak liggen. Dat moest veranderen. Door verspreide percelen samen te voegen, de waterhuishouding te verbeteren en wegen aan te leggen, werd grootschaliger landbouw mogelijk.

Het aanlooptraject naar de eerstes ruilverkavelingswet in 1924 is lang geweest. Simon van den Bergh schrijft in zijn proefschrift (2004) over de eerste ruilverkavelingen in Nederland: Al sinds 1890 was de Commissie-ontginning van het Nederlands Landbouwcommité regelmatig bijeen gekomen om de mogelijkheden voor een wettelijke regeling te onderzoeken. Hoewel de problemen met betrekking tot de versnipperde ligging van eigendommen al eerder waren gesignaleerd, waren deze vergaderingen de eerste aanzet tot het uiteindelijke wetsontwerp.

Als ik dit teruglees, dan realiseer ik me dat we vandaag de dag misschien toch wel wat ongeduldig zijn richting de overheid als het gaat om wetsontwikkeling en beleid. Ook vroeger nam het ontwikkelen van beleid en nieuwe wetten tientallen jaren in beslag. En ook toen vonden er al ‘experimenten’ plaats voordat een wet werd opgesteld.

Verslag eerste poging in de Dalfser Hooislagen

De Dalfser Hooislagen liggen ten noordwesten van het dorp, aan de rand met de toenmalige gemeente Nieuwleusen. (zie figuur) Het gebied bestond uit een rechthoek van ongeveer 1.9km bij 1.5km met meer dan 200 percelen, waarbij veel boeren via elkaars land moesten om bij hun deel te komen.

Aanleiding voor de ruilverkaveling waren de smalle stroken land en de slechte afwatering, maar diverse onderzoekers merken op dat het vooral de wens van baron van Haersholte tot Haerst was om het versnipperde gebied efficiënter in te richten.

Er werd een lokale ruilverkavelingscommissie ingesteld, bestaande uit een groep van eigenaren die was gevraagd zich actief voor de ruilverkaveling in te zetten. Zij schreven alle eigenaren aan met het voorstel voor een ruilverkaveling. Deze commissie diende ook als eerste in 1913 bij de Heidemij (verantwoordelijk voor het organiseren en uitvoeren van ruilverkavelingen) een aanvraag in.

De voorzitter van deze lokale commissie was Baron van Haersolte te Haerst. Hij was grootgrondbezitter in dit gebied.  De meeste boeren, en eigenaren van de percelen, waren kleine boeren. Van den Bergh verwijst naar een eerdere rapportage van net voor 1900 waarin staat beschreven dat de meeste boeren in dit gebied niet eens een ‘mooie kamer’ hadden.

Van de Bergh schrijft in zijn proefschrift: Bij het tekenen van het contract op 19 maart 1914 ging het direct al mis. Van de 65 betrokken eigenaren tekenden er slechts 13. Men was niet tevreden met de aangeboden percelen, zelfs niet wanneer deze door de betrokkenen zelf waren uitgekozen. Opmerkelijk is dat ook leden van de lokale commissie tegenstemden. Een verslag over deze bijeenkomst vermeldt dat alles goed verliep totdat één persoon weigerde te tekenen. De overtuigingskracht van deze persoon was tamelijk groot en dit voorbeeld deed volgen. Als reden voor het afstemmen van de ruilverkaveling geeft het verslag het volgende: ‘Helaas is deze zaak mislukt door de onwetendheid van vele landbouwers. Opvallend is het toch hoe onwetend velen zijn wat betreft de waarde van de bodem. Velen kijken slechts naar hetgeen op den bodem groeit. En wanneer dan een bodem, die nimmer bemest wordt, weinig of niets oplevert, noemen zij die slecht. […] En zoo is thans voor lange jaren de huidige toestand bestendigd tot schade van velen. En weer mag uit dit voorbeeld blijken, dat zonder wettelijke regeling practisch geen ruilverkaveling is uit te voeren’.

Wie deze tegenstemmer is geweest in de vergadering, waardoor de ruilverkaveling niet doorging, is niet bekend.

Van den Bergh vermoedt dat het tegenstemmen was gebaseerd op het al dan niet het accepteren van bepaalde bedrijfsrisico’s. Er moet namelijk wel betaald worden voor de ruilverkaveling. In totaal zou het gaan om 6500 gulden. En er was in die tijd  nog geen sprake van subsidies of voorfinanciering vanuit de overheid.

Tweede poging Dalfser Hooislagen

In februari 1917 bleek dat er achter de schermen inmiddels veel was gebeurd in de Hooislagen. De Heidemij stuurde een brief aan de eigenaren in het gebied om de stemming te peilen. De uitslag van dit onderzoek was totaal anders. Van alle 65 eigenaren kreeg de Heidemij een reactie en slechts drie van deze reacties waren negatief. In maart 1918 werd dan ook een voorlopig contract getekend en aan het begin van de jaren twintig werd de ruilverkaveling van de Dalfser Hooislagen alsnog voltooid.

Binnen vijf jaar was de stemming in de Hooislagen omgeslagen. Hoe kan dat? Uit archiefstukken blijkt dat vanaf februari 1915 een andere grootgrondbezitter zich ging inzetten voor een ruilverkaveling. het betrof G.H.J. Tervoert. Hij was eigenaar van gronden in de Dalfser Hooislagen en was één van de voorstanders van ruilverkaveling geweest. In zijn brief aan de Heidemij verzocht hij om een lijst met namen van de eigenaars van land in de Hooislagen. Hij dacht de tegenstemmers van twee jaar geleden te kunnen overreden.

Sindsdien hield Tervoert zich bezig met het verwerven van steun voor de ruilverkaveling. Niet alleen probeerde hij eigenaren te overtuigen, maar liet ook Veenhuizen, eigenaar van Grontmij, diverse stukken grond van enkele tegenstanders opkopen. Heidemij hield e.e.a. in de gaten en liet zich informeren door Baron van Haersolte over de gang van zaken.

Naast de ontwikkelingen die zich binnen Dalfsen afspeelden was er nog een belangrijke reden buiten Dalfsen die de omslag in het gebied had veroorzaakt. De Heidemij had de ruilverkaveling op Ameland, de Ballumer Mieden, ondertussen afgerond.

De Heidemij stuurde vervolgens een brief aan de eigenaars van kavels in de Dalfser Hooislagen met daarin de verbluffende resultaten van deze ruilverkaveling. Deze brief bleek zeer effectief. En in 1918 gingen alle eigenaren alsnog akkoord met de ruilverkaveling in de Dalfser Hooislagen.

Intermezzo: Vooruitstrevendheid van Van Dedem bij opheffing Marke Rosengaerde in 1859.

Bij de ruilverkaveling werd als eis gesteld, dat ieder perceel begrensd moest worden door een weg en door een waterloop. Dit had Van Dedem ook geëist en voorgesteld bij de opheffing van Marke Rosengaerde in 1859, meer dan 50 jaar daarvoor. Zo zijn toen in het Melerveld, maar ook in het Dalfserveld alle percelen zo opgedeeld en begrensd met sloten en wegen, waardoor iedereen vrije toegang had tot haar perceel.

Ondanks dat de verschillende landbouwgronden waren samengevoegd tot grotere percelen, had het nauwelijks effect op de efficiëntie van de landbouw. De belangrijkste reden hiervoor was dat er in de omgeving van het gebied weinig was veranderd. Nog steeds kwam het water met grote regelmaat het land oplopen via de overlaat bij Lichtmis. Ook in aangrenzende gebieden was nog altijd sprake van wateroverlast.

Pas toen het waterschap van Dalfser Hooislagen en de omringende waterschappen met elkaar fuseerden tot een groter waterschap tot de Noorder Vechtdijken, veranderde de situatie. In 1924 werd toen het gemaal bij Streukel in werking gesteld. Met de komst van dit gemaal, kwam er ook vanuit Nieuwleusen belangstelling voor een grootschalige ruilverkaveling. Want nu konden de gronden fatsoenlijk bewerkt worden omdat ze niet meer jaarlijks overstroomden of onder water stonden.

Start ruilverkaveling Gemeente Nieuwleusen

Nadat in 1924 de Ruilverkavelingwet werd aangenomen, keurde de Centrale Commissie als tweede de aanvraag van de boeren uit Nieuwleusen goed. Dat gebeurde in het voorjaar van 1925.  De lokale ruilverkavelingscommissie ging voortvarend aan het werk, want enkele maanden later lag er al een voorlopig plan van wegen en waterlopen met een bijbehorende raming van de kosten.

Op 7 oktober 1925 werd door een overgrote meerderheid van de eigenaren voor de ruilverkaveling gestemd zoals dat in grote lijnen aan hen was voorgelegd. Het ruilverkavelingsgebied lag tussen de Nieuwleusenerstraatweg (en Westeinde) en de Dedemsvaart, tot aan de zijde van het Lichtmiskanaal en de spoorlijn die er dwars doorheen liep. In totaal ging het om een gebied van ruim 1200 hectare, dat bij de start nog was verdeeld in 2000 percelen.

In bewaard gebleven archiefstukken en krantenartikelen wordt benadrukt dat het gebied diverse percelen kende van 2 kilometer lang en slechts 6 meter breed. Ook stonden de percelen vaak onder water vanwege het afstromende water uit het oosten dat niet altijd goed afgevoerd kon worden via het Zwarte Water. Dit probleem werd opgelost met de komst van het gemaal Streukel. Tot die tijd werd het land uitsluitend gebruikt als hooiland en gaf het alleen bij goed (en droog) weer een oogst met wilde grassoorten. 

Ook wordt duidelijk dat een groot deel van de belanghebbenden al eerder een verzoekschrift naar de regering had gestuurd om aan te geven dat behalve bemaling, een ruilverkaveling ook essentieel is voor de ontwikkeling van landbouw in dit gebied. Men drong aan op de indiening van het wetsontwerp voor ruilverkaveling.

Een groot deel van de eigenaren had al de voordelen van de ruilverkaveling gezien in het aan dit gebied grenzende Dalfser Hooislagen (zie figuur). En gerealiseerd dat er eerst een gemaal moest komen, want een land onder water kun je immers niet bewerken. 

En omdat goede bemaling nodig was om de landerijen droog te houden, werkte de lokale ruilverkavelingscommissie nauw samen met het waterschapsbestuur van Waterschap der Noorder Vechtdijken. Alle wegen en waterlopen werden na de ruilverkaveling ook in eigendom en beheer gegeven aan deze waterschap. 

Foto: Ruilverkavelingscommissie van Nieuwleusen op de foto met Minister Kan

Overgrote meerderheid stemt voor ruilverkaveling

Bij de stemming in oktober 1925 stemde niet iedereen voor. Negentien eigenaren stemden tegen, maar omdat zij samen ‘slechts’ 67 hectare bezaten, kon de verkaveling toch doorgang vinden dankzij de Ruilverkavelingswet. Die maakte het mogelijk dat voor een ruilverkaveling niet alle eigenaren hoefden in te stemmen.

In totaal waren 758 eigenaren betrokken bij deze ruilverkaveling in Nieuwleusen. De meesten ervan woonden in Nieuwleusen en Dalfsen.

Na de goedkeuring door de centrale commissie en de lokale bewoners in oktober 1925 ging een lokale commissie aan de slag. In de commissie zaten W. Nijboer (uit Den Hulst), E. Westerman (de neef van mijn opa uit Ruitenveen) en G Hebinck (kantoorklerk bij o.a. notaris Visscher in Nieuwleusen).  R. Sterken was plaatsvervangend lid en trad nog even toe tot de commissie toen in juli 1928 Egbert Westerman overleed. Sterken woonde in de Staphorster Hulst.

De eerste taak van deze commissie was het inventariseren van alle belanghebbenden met aard en omvang van hun bezit en rechten. Daarna vond er een schatting van de gronden plaats en werd er samen met de centrale commissie de grondsoorten in kaart gebracht. Dat gebeurde fysiek ter plaatse met o.a. proefboeringen. Elk stukje grond werd geplaatst in een klasse. En omdat het om langgerekte stukken grond ging, kwamen er op één perceel vaak meerdere klassen voor. Op basis daarvan werd er een waarde gegeven aan de grond. De eigenaar kreeg bij de ruilverkaveling een zelfde waarde aan grond terug, maar dus niet per se dezelfde soort grond.

Daarna noteerde de plaatselijke commissie de wensen van alle eigenaren en vulde die aan met toelichtingen en adviezen. De Centrale commissie toetste vervolgens het uiteindelijke voorstel van verdeling en of het aansloot bij de wensen van de eigenaren.

Als dat is gebeurd, wordt het plan weer ter inzage gelegd voor eigenaren. Vier eigenaren maakten bezwaar tegen het plan en dus moest de lokale commissie met hen gaan praten en onderhandelen. Drie van hen trokken hun bezwaar in na gesprek met de commissie. Alleen Hendrik Katoele (Berendszoon) uit Nieuwleusen hield het langst vast aan zijn bezwaar, maar ging 30 december 1927 na een tweede gesprek toch overstag. Wat er geregeld is met hem, is onbekend.

Op 28 januari 1928 kwam de ruilverkaveling gereed en kregen de eigenaren hun grondbewijzen. De ruim 2000 percelen waren nu omgezet tot slechts 91. De officiële akte werd in april 1928 getekend en vastgelegd bij notaris Visscher in Nieuwleusen. En het geheel werd afgesloten met een bezoek van minister Kan van Binnenlandse Zaken en Landbouw aan Nieuwleusen om de eerste grote ruilverkaveling op het vaste land, na invoering van de ruilverkavelingswet te vieren.

Let op, hier wordt de Dalfser Hooislagen ook meegenomen, terwijl die al eerder was verkaveld.

Gevolgen van de ruilverkaveling

De economische betekenis van deze ruilverkaveling was groot. Door de samenvoeging van de gronden, konden er wel 60 nieuwe boerenbedrijven worden gesticht. Dat gebeurde niet, maar in de loop van de tijd kwamen er toch zeker 37 boerderijen bij volgens een later uitgegeven informatieboekje van de overheid.

Naar aanleiding van de ruilverkaveling steeg de grondwaarde en de opbrengsten van de nieuwe kavels overtroffen de kosten van de verkaveling ruimschoots, althans volgens een krantenbericht enkele jaren daarna. Van den Berg geeft in zijn proefschrift aan dat het inmiddels crisistijd was en dat daardoor lang niet alle deelnemers de rekening konden betalen voor de verkavelingskosten en waterschapslasten. Volgens hem moesten sommigen noodgedwongen hun land verkopen. Hij onderbouwd dit niet met documenten.

In een informatieboekje uitgegeven door de Nederlandsche Heidemaatschappij (later Heidemij) wordt aangegeven dat een aantal eigenaren zo’n klein stukje grond hadden, dat ze gevraagd hebben om deze samen te voegen tot één perceel, zodat het publiekelijk verkocht kon worden en de opbrengst onder hen verdeeld kon worden na aftrek van de verkavelings- en waterschapskosten. De plaatselijke commissie heeft toen 24 hectare daarvoor beschikbaar gesteld, verdeeld over 3 percelen.

Dat één en ander zo snel ging in Nieuwleusen had misschien ook te maken met het feit dat de landerijen van weinig waarde voor de eigenaren. Een anonieme notitie in documenten over de ruilverkaveling van 1925 t/m 1928 in het archief van Museum Palthehof vermeldt het volgende: 

“Veel Nieuwleusenaren trokken elke zomer naar de Roete voor het korte blauwgras hooi. Toen er nog geen moderne hooiwagens waren, was het korte spul moeilijk onder de wezeboom te houden. Er bleef heel wat langs de weg liggen. Bewoners in Den Hulst die een paar geiten hadden, harkten langs de grintweg en hadden zo gratis wintervoorraad.

Velen stonden hun dagmaten vrijwillig af, hoe hoog de betaling was is mij niet bekend. Met de uitbreiding der cultuurgrond hier hadden velen geen behoefte voor een paar voer hooi naar de verre Roete te trekken. “

Conclusie

Voor de invoering van de ruilverkavelingswet is men in Dalfsen als eerste begonnen met een grootschalige ruilverkaveling. Deze werd echter na die van Ameland afgerond. In Nieuwleusen vond de tweede succesvolle ruilverkaveling van Nederland plaats, geïnspireerd door de eerdere ruilverkaveling in de nabij gelegen Hooislagen.

En zo zie je maar weer, hoe één uitspraak in een televisieprogramma je menig uur in archiefstukken en onderzoeksrapporten laat doorbrengen.

Gebruikte bronnen:

  • Proefschrift van Simon van den Bergh, 2004, Verdeeld land – De geschiedenis van de ruilverkaveling in Nederland vanuit een lokaal perspectief, 1890-1985. Downloadlink.
  • Online archief Kwartaalblad historische vereniging Ni’jluusn van vrogger.
  • Delpher.nl
  • Website Amelanderhistorie.nl

Eerste grootschalige ruilverkaveling van Nederland in Dalfsen?

Berichtnavigatie


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je kan de inhoud van deze pagina niet kopiëren